Tagarchief: awareness

Er is nog wel wat werk aan de winkel

Nog te vaak valt mijn onwetende medemens terug op het inroepen van ‘autisme’ als zijnde een oorzaak van waarom er een verschil in mening ontstaat.

Afgelopen vrijdag. Ik leg de laatste hand aan de voorbereiding van de thuislezing. Ondertussen werkt mijn persoonlijke assistent even hard mee om de thuislezing tot een succes te maken. Hij hecht er belang aan dat ook de details goed zijn ingevuld en gaat daarom even aan de slag om de voortuin te fatsoeneren.
Ik overloop mijn presentatie bij het open raam. Op die manier ben ik eventueel standby mochten er van mijn persoonlijk assistent vragen komen. Plots ruik ik iets chemisch en al snel maakt een knagende hoofdpijn en een dichte keel zich meester van me. Mijn focus zakt en ik ga even een kijkje nemen.

Ik zie het volgende tafereel: mijn assistent, Carl, die me wenkt en mijn buurvrouw op mijn tuinpad die wat vernevelt over haar struiken. Ik loop het gezelschap tegemoet. Carl vraag me, enigszins overweldigd, hoe het nu verder moet. Want wat doe je in zo een geval? Je weet dat je allergisch kan zijn aan dat soort producten en tegelijkertijd sta je in de voortuin met iemand die er niet hoort, terwijl het ook niet jouw voortuin is. Kan je daar dan wel wat van zeggen? Ik vraag aan de buurvrouw met welk product ze de planten bespuit want het heeft een bijzondere geur. “Ja, zeg”, antwoordt ze op haar typische zangerige nasale toon, draait zich om en gaat gewoon door met sproeien. “Mag ik je vragen, I**se, om alsjeblief ook rekening te houden met het feit dat Carl en ik allergisch zijn aan verschillende dingen en aangezien ik nu al keelpijn heb, denk ik dat die spray toch wat risico kan inhouden”, zeg ik.
“Ik heb wormpjes[1] in mijn buxus en dat is veel erger”, snauwt ze.
Mijn vraag of ze nu werkelijk meende dat haar buxussen boven de gezondheid van een mens gingen, werd door mijn buurvrouw ontvangen op een ‘Ja-ha-a.’ en weer sprayde ze rustig verder.
Ik vroeg haar of ze besefte welke proporties de gevolgen van een allergische reactie kunnen veroorzaken en gaf een voorbeeld van een situatie van Carl die met een spoed bezoek aan de dokter eindigde.
Ze haalde haar schouders op en ging gewoon door. Daarop vroeg ik haar om met de verdelgingsactie te stoppen en er op zijn minst wat tijd tussen te laten, zodat iedereen de kans kreeg om op zijn plooi te komen.
Door mijn tuin klonk plots: “Ach, pff, dat is gezellig zo twee autisten bij elkaar. Zielig hoor als jullie dat niet snappen dat die wormpjes weg moeten of mijn buxus[2] gaat eraan.”

Aangezien ik sta voor het op een evenwaardige manier behandelen van mijn (autistische) medemens, verbind ik me er wél toe om te expliciteren waarom iets voor mij belangrijk is. Ik vroeg haar daarom Carl en mezelf liever niet weg te zetten als domme autisten en vroeg haar meteen ook mijn voortuin te verlaten.
Ik geef toe dat mijn timing misschien niet zo goed gekozen was maar ik voelde me wel verplicht om het toch uit te spreken. Ik wil in dialoog blijven met de ander zodat ook mijn onwetende medemens kan leren dat ieder mens goeie redenen heeft waarom hij iets vraagt. Ik wil die dialoog blijven aangaan zodat ik ook kan leren wat er in die ander omgaat. Ik wil graag in gesprek blijven en een midden vinden.

Ze wierp een blok op door het gebruik van het woord ‘autist’ in een situatie die niks te maken had met autisme, maar vooral met goed fatsoen. In het moment dat zij dit woord in de mond nam, bleek voor haar alle bereidheid tot luisteren vervlogen te zijn, en dit maakte mij als gevolg hiervan monddood.

As well as awareness starts with the willingness to listen, so does equaity start with being aware of the differences.

[1] Bij nadere inspectie blijken dit rupsen van de spinselmot te zijn.

[2] Haar precieze woorden: ‘Gezellig. Triestig zo twee autisten hier die niet snappen dat ik wormkes heb en dat die mijn buxussen kapot doen.

Cogito ergo sum – ik denk, dus ik ben – René Descartes

Een van de meest gebezigde uitspraken als het over denken en zijn gaat. Ook een van de meest breed geïnterpreteerde, want net zoals in de foto die Henk Vegter plaatste, kan een losstaande uitspraak op vele manieren begrepen worden.

Dit soort uitspraken zet men soms intentioneel in om een punt te maken of om geen kant te hoeven kiezen maar ook vanwege het grappige effect. Voorbeelden van dit soort ‘redeneringen’, ook wel amfibolie genaamd, vinden we al terug in de Historiën van Griekse geschiedschrijver Herodotos (5de/6de eeuw v.C.). Zo haalt hij het verhaal aan van koning Croesus van Lydië die het Orakel van Delphi vraagt of hij ten strijde zal trekken tegen de Perzen. De Pythia (de priesteres) antwoordde: ‘Als je ten strijde trekt, zal je een groot rijk verwoesten.’
‘Ik ben niet anders, ik denk anders’ zou zo uit de mond van de Pythia kunnen komen. Maar het plezier van het denken over het waarom ervan laat ik met veel genoegen aan jullie.

Denken. Iets wat voor mensen zo vanzelfsprekend lijkt te zijn dat we er niet eens meer bij stil staan.
Ik denk, dus ik ben.’ De slotsom van het uitvoerige denkwerk van René Descartes. En voor velen in de huidige wetenschappen en psychologie geldt deze conclusie nog steeds.
Descartes vertrok vanuit de overtuiging van de meesten dat onze zintuigen ons zelden in de steek laten. We kunnen niet twijfelen aan onze percepties. We zien, ruiken of voelen toch immers wat we zien, ruiken of voelen. Maar hoe zit het dan met optische illusies? We denken namelijk twee verschillende lijnen te zien terwijl ze identiek zijn.

Misschien zijn mijn zintuiglijke ervaringen dan wel een soort van hallucinaties. En dit soort hallucinaties, zeg maar prikkels die binnenkomen en op een andere manier ervaren worden dan datgene waarvoor ze op het eerste gezicht bedoeld zijn, komen niet enkel voor bij mensen die men in de huidige psychiatrie classificeert onder bepaalde stoornissen. Ik denk daarbij aan bijvoorbeeld mensen met autisme, waarvan we op wetenschappelijke basis weten dat de verwerking van bijvoorbeeld verbale informatie omgezet wordt in visuele informatie (beelddenken) of mensen met synesthesie waarbij het zien of horen van een getal een bepaalde kleur kan oproepen of een aanraking een mandarijnsmaak geeft. Nee, het samenvallen van twee of meer prikkels gebeurt bij ca. 10 % van de bevolking.
Deze vermenging of zoals Descartes het zelf zegt, vermenging van droom en werkelijkheid, is voor hem genoeg reden om zijn ‘twijfelmachine’ open te trekken.

Voor hem is niet al onze kennis gebaseerd op zintuiglijke informatie. Sommige gedachten die we hebben lijken helemaal niets van doen te hebben met de werkelijkheid zoals we die waarnemen. Als voorbeeld gebruikt hij onder meer wiskundige kennis. We weten zeker dat de som van drie en zeven tien is en die zekerheid staat los van elke waarneming in de zintuigelijke wereld, want ook als ik in mijn dromen deze rekensom zou maken, zou 3 + 7 nog steeds 10 zijn.
Maar toch kunnen we volgens deze filosoof ook hieraan gaan twijfelen, want er is niets dat zegt dat die uitkomst meer is dan een afspraak die we met zijn allen maakten. En toch, zegt hij, is er iets waar we niet aan kunnen twijfelen. Dat is de twijfel zelf. Want ook al heb ik soms waangedachten, stoel ik mijn wiskundige kennis op de aanname dat het zo is dat die som juist is, ik kan niet twijfelen aan het feit dat ik op dat moment twijfel of iets echt is of niet, waar is of niet. Waar ik dus zeker van ben is dat ik twijfel en die twijfel speelt zich af in mijn denken. Dus als ik twijfel dan denk ik en bijgevolg als ik denk dat is het ‘echt’ (en besta ik).

Hoewel de reconstructie van het argument van Descartes zoals hierboven erg kort door de bocht is, leert het ons dat denken en ‘zijn’ – of noem het persoonlijkheid als je daar meer vrede mee hebt – met elkaar verbonden zijn. Daarnaast zouden we kunnen besluiten dat elk mens, op basis van zijn/haar, waarneming een ‘eigen denken’ of eigen interpretatie van de waarheid vormt. Tot dusverre volg ik hem wel.

Dat Descartes op zijn vele denktochten zich vaak vragen stelde en twijfelde is een grote verdienste voor ons hedendaags denken. Toch had hij wat mij betreft ook de vraag mogen stellen naar datgene wat alle mensen verbindt. Dat doet hij te weinig. Hij vertrekt vooral vanuit een ‘ik’ en niet vanuit een ‘wij’.
Denk even met me mee: u neemt de wereld waar op uw manier en ik – met een brein dat in uw classificaties nader omschreven wordt als ‘autismespectrumstoornis – neem de wereld waar op mijn manier. Elk hebben we onze eigen interpretatie en daarmee ook misschien wel onze eigen hallucinatie. Maar is de mijne dan beter dan de uwe? Want als het om individuen gaat, dan moeten we toch al die individuen vergelijken om dan tot een gemeenschappelijkheid, een overeenkomst, te komen?
Wat als zijn besluit nu algemener was geweest? ‘Er zijn gedachten.’ Dan zijn het de gedachten – het denken zo u wil – dat op zich bestaat en is het los van de individuele mens, maar verbindt het tegelijk alle mensen.

Ik ben niet anders, ik denk anders?’
Voor mij gaat deze alvast niet op. En voor u?

Om het dan maar even in Descartes om te zetten: ‘Ik denk anders, dus ik ben anders.’ En gelukkig maar, want ik wil geen kopie zijn van de eerste de beste die ik op straat voorbij loop. U wel? Maar wat mij en die passant met elkaar verbinden is dat we beiden mens zijn, beiden op een bepaalde manier denken én (ons daarvan) bewust-zijn.

En net zoals bewustzijn start bij de bereidwilligheid tot luisteren, zo ook start evenwaardigheid bij het aanvaarden van de verschillen.

Zwemmen door dikke lijm

Ik zag de vraag van Viktor Staudt voorbij trekken op Twitter. Op het eerste gezicht een goeie vraag. En toch was er iets wat mijn denken deed blokkeren. Het voelt dan alsof mijn brein een kwartslag draait en dat mijn gedachten condenseren en samengeperst worden tot een ondoordringbare, dikke vloeibare massa waaruit geen enkelvoudige gedachte meer los te maken valt.

In het Nederlands noem ik het vaak dat mijn denken dan voelt als zwemmen door dikke lijm. In het Engels zeg ik ‘Questions like these clogg up my mind.’ Ik geef u dit even mee omdat ik niet op dezelfde manier tot ‘talig’ (conceptueel) denken kom als de meesten onder jullie. En hoewel het relevant is voor wat er gebeurt als ik dit soort vragen zie, wil ik me hier echter beperken tot alleen maar dit voorbeeld van hoe deze vraag mijn brein een kwartslag deed draaien.

Kijk nog eens even naar de vraag en bedenk wat u hierop zou kunnen antwoorden.

Ik herlees met u mee.

  1. Ik zie de woorden zich ontvouwen, begrijp elk woord individueel, maar de combinatie die ze vormen maakt de vraag op zich al groter dan dat ze hoeft te zijn.
  2. Ik begrijp elk woord op zich, als individueel begrip en concept
  3. Tegen het einde van de zin zit alles vast in mijn denken.
  4. Ik keer terug naar het begin van de tekst.
  5. Ik veronderstel dat de vraag niet aan mij gericht is, want ik ben geen rolstoeler.
  6. De lijm in mijn hoofd wordt dikker.
  7. Ik denk: Ik ben dan wel geen rolstoeler, maar wel een ‘dromend wezen’ én ik loop én ik heb benen.
  8. Elk van deze gedachten roepen nieuwe gedachten op.
  9. Ik blijf hangen op de criteria uit het vorig punt en hoewel ik geen ‘rolstoeler’ ben en me dus niet aangesproken hoef te voelen, blijven de ‘restgedachten’ voor ‘verstopping’ in mijn geest zorgen en kan ik ook niet verder om de vraag van Viktor terzijde te leggen.
  10. Mijn brein blijft zoeken naar ‘begrijpen’.
  11. Ik moet dat wat de vraag als ervaring teweegbrengt een plaats te geven.

Tot dusver mijn erg beknopte samenvatting van wat er zich afspeelt bij alleen maar het herlezen van de vraag zoals u net deed.

Herkent u zich al in dit eerste stuk van het antwoord ? Het hoeft niet precies hetzelfde te zijn wat door uw gedachten gaat, maar misschien herkent u het systeem wel. Indien niet dat hebt u gelijk een beetje idee dat er zich, naast het proberen te lezen van een vraag als deze, samen met het begrijpen en ordenen van woorden gelijktijdig in mijn denken ook nog een proces gaande is van wat deze woorden nu precies trachten uit te drukken én wat Viktor nu eigenlijk vraagt. In dit stappenplan laat ik dan nog de sensorische verwerking van buitenaf en binnenin buiten beschouwing.

De vraag van Viktor dan : ‘als je droomt’ veronderstelt al een bepaalde opvatting van dromen. Daar – en vergeef me het woord- loop ik al op vast. Hoe kan iemand weten hoe anderen dromen? En of (zo) al dromen? En of dat dromen steeds ‘zien’ is? Ook dat ‘lopen’. Dat gaat dan weer uit van de vooronderstelling dat iemand eerst nog liep alvorens hij in een rolstoel terecht kwam. Spreekt Viktor dan tot alle rolstoelers of alleen diegenen die eerst liepen ? En waarom denk ik hierover, ik liep, loop nog steeds en zit niet in een rolstoel. Dus wat zou deze vraag mij dan aanbelangen ? En nog kan ik ze niet terzijde leggen. Viktor loopt niet, ik wel. Dat is een groot verschil en toch delen we gezamenlijk het ‘voortbewegen’. Elk op onze eigen manier. Misschien is het dat wel dat maakt dat ik nog steeds in de vraag blijf hangen. Ik ga verder en lees ‘2 gezonde benen’. Dus spreekt hij dan alleen tot diegenen die eerst 2 benen hadden en liepen? Of doet het er voor hem niet toe? Is dit alleen maar een manier van spreken? Zou dit het zijn wat me triggert en mijn denken doet vastlopen?

Nee, meestal is het altijd ‘meer’, het is nooit eenvoudig. Ik merk nog wat op: ‘gezonde’ benen. Benen zijn voor mij objecten met een functie. Uit de context leid ik af dat het hier om de functie lopen gaat. Ik blijf denken. Het woord gezond duidt immers op een toestand. En hebben benen wel een toestand? Kunnen benen wel ‘gezond’ zijn? Benen alleen, op zichzelf, zijn niets. Ook niet in staat tot bewegen. Dus hebben benen altijd ‘iets’ nodig dat ze in beweging zet. De rest van wat er bij die benen hoort: een mens (misschien een paard als het om benen gaat). Dus wat die benen gezond maakt, is dat ze hun ‘normale’ functie kunnen vervullen. En zo gaat het nog wel even verder. Dit is de reden waarom ik nooit kan antwoorden op dit soort vragen. Ze zijn te groot, ze vooronderstellen te veel. ‘This is what cloggs up my mind’.

Ik grinnik even. Want zelfs ‘geen benen’, in dit geval, hebben een functie. Ze zetten aan tot bewegen. En dat is wat Viktor doet!

Ik wil u ook nog duidelijk zeggen dat ik geen afbreuk doe aan Viktor Staudt zelf noch aan zijn vraag. Zijn vraag (en ik vermoed Viktor zelf ook) peilt naar gedeelde ervaringen, een gemeenschappelijke deler. Dat op zich – en daarmee de man zelf ook- vraagt al om respect. Wat hij doet met zijn beknopte vraagstelling is niet anders dan wat ik doe met mijn betoog: ervaringen delen, bewustzijn (awareness) losmaken. Het verschil zit er echter in dat tegen de tijd dat ik dit betoog heb uitgeschreven het Twittergesprek waarschijnlijk al ten einde is en hij verder kan met de ervaringen die hij zelf deelde en anderen met hem deelden.

Beste Viktor, ik waardeer jouw strijden en streven. Ik kijk vol bewondering naar hoe jij met 1 vraag de mens in beweging zet. Ik mag misschien dan nog benen hebben, maar jij hebt iets wat ik mis: bondigheid. Dat is wat ik van jou wil leren! Dank je wel Viktor voor je vraag, ze bewoog me en bracht me al een eind verder.